• Opties

De sabbat deel IV: Geloofsrust


 

De schrijver van de Hebreeënbrief geeft een duidelijke interpretatie van de sabbatdag. Niemand kan de sabbat houden door eigen inspanningen, zoals gebeurt met het houden van vastgestelde dagen en tijden, zonder te rusten in wat God al voor ons gedaan heeft. We gaan alleen de sabbatsrust in door het  geloof in de beloften van God  (Hebr. 4:1-3).

 

Door het licht dat het Nieuwe Testament werpt op de sabbat, begrijpen we dat het bij God nooit te doen geweest is om kalenderdagen. De  rechtvaardiging door het geloof  is het onderliggende principe van het evangelie, al bekend tijdens het oude verbond. Noach was al een erfgenaam der gerechtigheid door het geloof, lang vóór Abraham geboren werd (Hebr. 11:7). En Abraham werd door het geloof gerechtvaardigd, lang voor de wet van Mozes. Bovendien komt de uitspraak:  “De rechtvaardige zal door zijn geloof leven”  niet uit het Nieuwe, maar uit het Oude Testament (Hab. 2:4). Op zichzelf genomen is dit al voldoende reden om af te zien van de discussie over een liturgische sabbatviering. Vooral omdat het evangelie niet pas geopenbaard werd met de ingang van het nieuwe verbond, maar al deel uitmaakte van de verkondiging tijdens het Oude Testament: “Want ook aan ons is het evangelie verkondigd  evenals hun,  maar het woord der prediking was hun niet van nut, omdat het niet met  geloof  gepaard ging bij hen, die het hoorden” (Hebr. 4:2).

Degenen die niet uit het geloof leven, maar hun rechtvaardigmaking zoeken in het houden van rituele voorschriften, hebben de geestelijke inhoud van de sabbat nooit begrepen. Hoewel de Joden met zoveel ijver de sabbat hielden, zijn ze niet tot de rust ingegaan. Daar tegenover staat dat allen die in Jezus geloven de sabbat ervaren, ongeacht of ze een bepaalde dag houden of niet (Hebr. 4:3). Zouden we ons druk maken over het herstellen van de Joodse sabbat, dan veronderstellen we bovendien dat niet Jezus en de apostelen de wil van God hebben gedaan, maar de farizeeën. Een afschuwelijke gedachte! Het tegenovergestelde is waar. De veroordeling van farizeeën en judaïsanten is een historisch bewijs dat de sabbat nooit door God is bedoeld als vroom ritueel, maar als geestelijk principe, noodzakelijk om het eeuwige leven te beërven.

De correcte interpretatie van de sabbat wordt al op verschillende manieren in het Oude Testament toegelicht. Het in bezit nemen van Kanaän werd door Jozua de  sabbat  van het volk Israël genoemd (Hebr. 4:8). Na vele jaren omzwervingen in de woestijn en na zoveel veldslagen voor de verovering van het land, waren zij eindelijk tot de rust ingegaan. Het feit dat ze nu een soevereine natie waren, met een eigen vaderland, werd vanaf dit moment een meer diepgaande interpretatie van de sabbat. Bij de schepping had God Adam en Eva geplaatst in de hof van Eden, die in zijn geheel door Hem was toebereid, zodat ze konden beginnen met het heiligen van een rustdag om met de Heer te vertoeven. Ze konden het Paradijs kant-en-klaar in bezit nemen, onder de voorwaarde dat zij in de eerste plaats de gemeenschap met de Schepper zouden zoeken, voordat zij gingen zorgen voor het geschapene. We weten van de Romeinenbrief dat, op het moment dat de mens de Schepper vervangt voor het schepsel, hij overgeleverd wordt aan zijn eigen lusten:

“Bewerende wijs te zijn, zijn zij dwaas geworden, en zij hebben de majesteit van de onvergankelijke God vervangen door hetgeen gelijkt op het beeld van een vergankelijk mens, van vogels, van viervoetige en van kruipende dieren. Daarom heeft God hen in hun hartstochten overgegeven aan onreinheid, zodat bij hen het lichaam onteerd wordt”(Rom. 1:22-24).

 

Dezelfde beloften en voorwaarden die we zagen in het scheppingsverhaal, werden gesteld toen de Heer Israël Kanaän binnenleidde:

“Wanneer nu de Heer, uw God, u in het land zal gebracht hebben, waarvan Hij uw vaderen, Abraham, Izaäk en Jacob, gezworen heeft het u te zullen geven – grote en goede steden, die gij  niet gebouwd hebt;  huizen, vol met allerlei goederen, waarmee gij ze niet gevuld hebt; uitgehouwen bakken, die gij  niet uitgehouwen hebt;  wijngaarden en olijfbomen, die gij  niet geplant hebt  – en gij gegeten hebt en verzadigd zijt, neem u er dan voor in acht, dat gij de Here niet vergeet, die u uit het land van Egypte, uit het diensthuis, geleid heeft” (Deut. 6:10-12).

Toen de verovering van Kanaän een feit was, herhaalde Jozua deze woorden:

“Zo gaf ik u een land waarvoor gij niet gezwoegd hebt, en steden die gij niet gebouwd hebt, en waarin gij toch woont; en gij eet van de wijngaarden en olijfbomen die gij niet geplant hebt” (Joz. 24:13). Vanwege de overeenkomst met het scheppingsverhaal, werd het beloofde land de nationale ‘sabbat’ genoemd (zie bijv. Hebr. 3:11),

waardoor de betekenis van de oorspronkelijke sabbatdag verduidelijkt wordt:

“Geprezen zij de Heer, die zijn volk Israël rust (sabbat) gegeven heeft volgens al wat Hij gesproken heeft” (1 Kon. 8:56).

 

Niet allen zijn de sabbat ingegaan. Ondanks alles wat ze in genade van God ontvangen hadden, is een hele generatie die uit Egypte getrokken was, met uitzondering van Jozua en Kaleb, verloren gegaan. Daarbij is het opmerkelijk dat Jozua een Jood was, maar Kaleb was de zoon van Jefunne de Keniziet (Num. 32:12; Joz. 14:6, 14). Hij had zich, als Jodengenoot, aangesloten bij de stam van Juda (Num. 34:19). Deze Kenizieten behoorden tot de oorspronkelijke bevolking van Kanaän, (Gen. 15:18-21). Dat betekent dat van een hele generatie, die uit Egypte trok en het beloofde land in bezit nam, 50% Jood en 50% heiden was. Alle anderen, Joden of Jodengenoten, waren niet Gods sabbat (= Kanaän) ingegaan vanwege:

  1. Ongeloof (Hebr. 3:19);
  2. Verwerping van het evangelie (Hebr. 4:2, 6);
  3. Ongehoorzaamheid (Hebr. 4:6).

 

Vanaf de schepping zien we duidelijk dat de sabbat te maken heeft met het feit dat God, vanaf den beginne, al klaar gekomen was met Zijn werken voor ons. En dat we geen overlevingskansen hebben, noch stoffelijk, noch geestelijk, zonder gemeenschap met Hem en zonder Zijn genadegaven. Voordat we iets  voor de Heer  kunnen doen, moeten we in het geloof rusten in wat Hij  voor ons  gedaan heeft. De sabbatsrust heeft absoluut niets te maken met de inachtneming van kalenderdagen, waarbij het om niets anders gaat dan persoonlijke discipline, en niet om geloof in Gods werken voor ons. Ons behoud hangt beslist niet af van het ruilen van zondag voor zaterdag, maar van het rusten van onze eigen inspanningen, om Gods beloften in bezit te nemen.

De verovering van Kanaän geeft groter licht op de betekenis van de sabbatsrust. Het gebod voor de wekelijkse sabbat was dat er ‘ generlei ’ werk gedaan mocht worden, vóór de Heer te zoeken. Maar bij de sabbatdagen die behoorden tot de feesttijden des Heren: het Pascha, het feest van de ongezuurde broden, de Verzoendag en het Loofhuttenfeest, lag de nadruk op de bevrijding van  slavernij : “Dan zult gij generlei ‘ slaafse ’ arbeid verrichten” (Lev.23:7, 8, 21, 25, 35, 36; Num. 28:18, 21, 25, 26, 29:1, 12, 35). Wie werkt in eigen kracht voor zijn levensbehoeften, en bovendien zijn verlossing probeert te verdienen met goede werken, heeft zich tot slaaf gemaakt van wetten die bedoeld waren als tuchtmeester om ons tot Christus te leiden (Gal. 3:24). We houden pas de sabbat als we geleerd hebben om te leven vanuit de genade en de gemeenschap van God, door de verzoening van het bloed van Jezus. Zij die geloven worden door Hem uit het diensthuis geleid, om hun paradijselijk vaderland in bezit te nemen.

Vreemd genoeg gaan er nu stemmen op om ons weer ‘ slaven ’ te maken van een instelling, die juist bedoeld is om ons te verlossen van het ‘slaafse’ zwoegen. Het terugkeren naar de Joodse sabbat, maakt mensen weer tot slaaf van uiterlijke regels die – laten we eerlijk zijn – meer complicaties en ruzies met zich meebrengen dan zielenrust. De nadruk op de rust van ‘slaafse arbeid’ werpt groter licht op het evangelie, dat ons de uiteindelijke sabbat binnenleidt. We worden verlost van allerlei slaafse pogingen om ons behoud te bewerkstelligen door eigen inspanningen. De sabbat brengt ons tot rust aan de voet van het kruis, waar Jezus alles voor ons volbracht heeft. Hij is de heer van onze sabbat!

Jezus gebood de verlamde:  “Sta op, neem uw matras op en wandel” (Joh. 5:8).  De Joden hadden er bezwaar tegen dat dit op de sabbat gebeurde, omdat het die dag verboden was om je bed te dragen. Voor hen ‘schond’ Jezus de sabbat. Het antwoord van Jezus was dat Zijn Vader ook   “Sta op, neem uw matras op en wandel” (Joh. 5:8). , wat natuurlijk vreemd klinkt in de oren van sabbattisten (Joh. 5:17-18). Voor de man, die 38 jaar niet had kunnen werken, was het dragen van zijn bed op de sabbat juist een glorieus teken van bevrijding van slavernij. Niet alleen wat betreft zijn ziekte, maar ook van zijn afhankelijkheid van hulp van mensen, waar hij zijn hele leven tevergeefs op gewacht had. Niemand had hem ooit geholpen om in het water van Bethesda af te dalen. Bovendien werd hij bevrijd van een  verkeerd godsdienstig begrip : het alsmaar wachten op een engel uit de hemel, om het water in beweging te brengen. Er bestaan allerlei mensen die proberen wat te doen voor hun volmaking, maar ook velen die alsmaar wachten op iemand die ze daarmee kan helpen. En anderen zitten weer op God te wachten, terwijl Hij alles al lang volbracht heeft. Het is duidelijk dat ze zo geen stap vooruit komen. En wat de sabbattisten betreft, die gaan nooit de sabbatsrust binnen, omdat ze niet zien dat Jezus alles al voor hun volbracht heeft.


 

Reeks bijbelstudies over de Sabbat
Deze bijbelstudie is het tweede deel van een reeks. De overige delen zullen de komende weken verschijnen.

Over Henk de Cock

Henk de Cock is sinds 1963 als geschoold evangelist werkzaam als Vader, Evangelist, voorganger en docent in Brazilië. Hij bouwde samen met zijn vrouw Connie een bijbelschool en hielp vele gemeenten stichten. Momenteel legt Henk zich toe op het uitbrengen van al het bijbelstudiemateriaal welke hij de afgelopen 50 jaar heeft ontwikkeld.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Stichting PBB 2014