Een nieuwe schepping
  • Opties

De zichtbare en onzichtbare kerk

De mens is door God geschapen, zowel met een geestelijke als een stoffelijke dimensie. Maar één van de tragische gevolgen van de zonde is dat zijn geestelijke vermogens verblind zijn, en overschaduwd worden door alles wat deel uitmaakt van de fysieke wereld. 

En wat er bij de natuurlijke mens nog is overgebleven aan intuïtief bewustzijn van het bovennatuurlijke en van het bestaan van een goddelijk Opperwezen, raakt afgestompt door de zwaartekracht van de zichtbare dingen. Zonder het zaad van het evangelie – dat het enige door God gegeven middel is dat wedergeboren kinderen Gods voortbrengt (1 Kor. 4:15b; 1 Petr. 1:23, 25b) – blijven christenen zich richten op de stoffelijke dingen, met dezelfde intensiteit als wereldgezinden. Dit probleem, dat door de eeuwen heen het mensdom overheerst heeft, deed de psalmdichter de Heer aanroepen, in een smeekbede voor verlossing door middel van Zijn Woord: “Mijn ziel kleeft aan het stof; maak mij levend naar uw woord” (Psalm 119:25). Er is maar één weg tot bevrijding. De eenwording met Jezus in Zijn dood en opstanding, waardoor we deel krijgen aan de nieuwe schepping: de nieuwe mens, herschapen in Christus. Al vanaf het eerste begin van de gemeente, bestond het conflict tussen uiterlijk christendom, met zijn voorschriften en tradities – die door Paulus de zwakke, armelijke wereldgeesten genoemd werden (zie Gal. 4:9-11) – en het evangelie dat kracht verleent aan hen die Jezus ontvangen om kinderen Gods te worden. Een doorslaggevende uitspraak over deze kwestie was Paulus’ waarschuwing aan hen die met de Geest waren begonnen, maar eindigden met pogingen om zich te volmaken in het vlees: “Want besneden zijn of niet besneden zijn betekent niets, maar of men een nieuwe schepping is” (Gal. 3:3, 6:15).

Het kleven aan de stoffelijke dingen is overal in de kerkgeschiedenis terug te vinden en is, door de eeuwen heen, het grote struikelblok geweest voor de prediking van het kruis. Het plichtmatig opvolgen van allerlei godsdienstige formaliteiten, hoewel ze niemand tot leven brengen, waarborgt wel altijd eer van mensen. Jezus waarschuwde de godsdienstige leiders van Zijn tijd, die bekend stonden vanwege hun uiterlijk vertoon, voor het onvermijdelijke resultaat van hun hovaardigheid: “Hoe kunt gij tot geloof komen, gij, die eer van elkander behoeft en de eer, die van de enige God komt, niet zoekt (Joh. 5:44)? Niemand zal ooit roem van de wereld ontvangen door de prediking van het kruis, dat eerder schande voortbrengt. Al ten tijde van de eerste gemeente beschouwde men het kruis als een aanstoot en een dwaasheid (1 Kor. 1:18, 23-24). Daarom predikte men liever uiterlijkheden, zoals de sabbat en de besnijdenis, om het aanstotelijke van het kruis teniet te doen (Gal. 5:11). De Bijbel is duidelijk in zijn veroordeling van een dergelijke ondermijning van de boodschap van het evangelie: “Allen, die zich uiterlijk goed willen voordoen, trachten u te dwingen tot de besnijdenis, alleen om niet vervolgd te worden ter wille van het kruis van Christus. Want zij, die zich laten besnijden, houden zelf niet eens de wet, doch zij willen, dat gij u laat besnijden, opdat zij op uw vlees roem kunnen dragen” (Gal. 6:12-13). Inderdaad! Niemand hoeft ooit bang te zijn om vervolgd te worden vanwege uiterlijk vertoon, maar in de Bijbel wordt profetisch bevestigd dat geloofsvervolgingen zich keren tegen hen die het Woord prediken en getuigen van Jezus zijn (zie Openb.1:9, 6:9).

Niet dat we stoffelijke dingen onbelangrijk achten, of dat we geestelijk beter af zouden zijn zonder de zichtbare kant van onze gemeentelijke structuren. Maar waar een boodschap verkondigd wordt die de ziel nog meer aan het stof doet kleven, bouwt men aan de zichtbare kerk, zonder dat er mensen opnieuw geboren worden en zekerheid ontvangen van hun behoud. Christenen moeten leren om, zoals Mozes, standvastig te blijven, ook al zijn er geen zichtbare tekenen. En dat is alleen mogelijk waar men de Onzienlijke ziet (Hebr. 11:27). Geloof is immers het bewijs van de dingen die men niet ziet. En door het geloof verstaan we dat het zichtbare op zichzelf geen bestaan heeft, maar voortkomt uit het onzienlijke (Hebr. 11:1-2). Als het Woord de mensen niet bevrijdt van het kleven aan het stof, kan men op z’n hoogst verwachten dat ze zich, cultureel gezien, als brave christenen blijven gedragen. Maar in werkelijkheid leven ze op hetzelfde materialistische niveau als de niet-christenen. Het eindproduct van het aardsgerichte christendom is het ‘voorspoed-evangelie’, waarbij mensen God dienen om er financieel beter van te worden. Ze willen geld hebben; zoveel mogelijk. En schrikken er niet voor terug om daar de geestelijke dingen voor te misbruiken. Het centrale thema van het evangelie is echter het kruis, waar Jezus Zijn bloed vergoten heeft als zoenmiddel met God en verlossing van zonde.

Geloven in God betekent beslist niet dat we de stoffelijke dingen minachten, want die behoren ook bij het mensdom. We maken er allemaal deel van uit en we maken er dagelijks, met dankzegging, gebruik van (1 Tim. 4:4-5). Maar zodra het zichtbare de dominerende factor wordt, is de geestelijke dood onvermijdelijk. Want het Koninkrijk Gods komt niet met uiterlijk vertoon, of op waarneembare wijze (Luc. 17:20-21 – LUTHV/NSV). Iemand die niet uit de Geest geboren is, kan het niet zien, al is hij ‘leraar van Israël’ (Joh. 3:3). Daarom lopen aardsgerichte christenen altijd achter godsdienstig symbolisme aan, en houden van theologische discussies over onderwerpen die geen enkele invloed hebben op hun levenswandel, terwijl ze hun geestelijk leegte compenseren met mystieke ervaringen.

De huidige tendens is dat het christendom door en door sacramenteel wordt. Zelfs vol rituelen uit het Oude Testament, die slechts het doel hadden om, via analogische beelden uit de zichtbare wereld, de toentertijd onbekende geestelijke principes van Gods Koninkrijk bekend te maken. Vandaag wordt het Jodendom – dat zelfs voor de eerste gemeente een voortdurend struikelblok was – weer onder het stof vandaan gehaald. Alsof een terugkeer naar de symboliek van het Oude Testament geestelijke winst zou zijn, voor hen die de krachten van de toekomende eeuw hebben gesmaakt (zie Hebr. 6:5-6). Het is goed om stil te staan bij de boodschap van Jesaja, de enige profeet die ooit melding heeft gemaakt van de tongentaal (Jes. 28:10-13; 1 Kor. 24:21). Zijn profetie legt een link tussen de verlossing van het rituele systeem van uiterlijke wetten en de uitstorting van de heilige Geest op de Pinksterdag.

Het is daarom verbijsterend dat velen, na Pinksteren beleefd te hebben, weer terugkeren naar inzettingen die slechts bepalingen waren voor het vlees, opgelegd tot de tijd van het herstel (Hebr. 9:10). En die, ondanks oneindige herhalingen, nooit in staat zijn geweest om de mensen tot volmaaktheid te brengen (Hebr. 10:1). Jezus heeft ons echter voor altijd volmaakt, door één keer aan het kruis te sterven (Hebr. 10:12-14). Waarom zouden met de Geest vervulde mensen dan terugkeren naar wat maar tijdelijk en onvolmaakt was? We kunnen wat dat betreft veel leren van een oud gezegde: “Arenden vangen geen vliegen!”

Het zijn de ‘bouwlieden’ die altijd maar aan het bouwen zijn, en proberen te herbouwen wat voorgoed voorbij is. Daarbij vergeten ze dat Jezus heeft beloofd dat Hijzelf Zijn gemeente zal bouwen (Mat. 16:18). Opvallend is dat juist de bouwlieden Jezus als hoeksteen hebben afgekeurd, als een aanstoot en ergernis (Psalm 118:22; Mat. 21:42; Hand. 4:11; 1 Petr. 2:7-8). Overal waar ze aan de gang zijn, ontstaan menselijke koninkrijkjes, waaraan men deel kan krijgen, niet door wedergeboorte, maar door gemeenschappelijke verklaringen te onderschrijven en zich te houden aan de onderlinge afspraken. Zelfs andersdenkenden kunnen zich fuseren, onder de voorwaarde dat iedereen in zijn waarde gelaten wordt, zodat de eenheid (?) niet verstoord zal worden. Maar Gods troon is van eeuwigheid tot eeuwigheid en Zijn Koninkrijk heeft niets te maken met menselijke bouwwerken. Bovendien getuigde Jezus aan Pilatus dat Zijn Koninkrijk niet van deze wereld is; het openbaart zich alleen op aarde waar mensen zich met hun hele hart aan God onderwerpen, en Zijn naam heiligen door Zijn wil te doen, zoals die gedaan wordt in de hemel (Joh. 18:36; Mat. 6:9-10). Trouwens, we hoeven het Koninkrijk Gods niet te bouwen, want het wordt als erfdeel gegeven aan de armen van geest en aan de vervolgden om de gerechtigheid wil (Mat. 5:3,10). Jezus heeft ons niet opgedragen om Zijn huis te bouwen, want allen die geestelijk leven hebben, worden door Hem gebouwd, als woonstede Gods in de Geest, terwijl Hij de hoeksteen is van het bouwwerk (Efez. 2:19-22). Gemeentegroei is daarom nooit de taak van mensen geweest, want mensenhanden kunnen alleen zichtbare kerken bouwen. De aan ons gegeven taak is de prediking van het evangelie in de gehele wereld. En om mensen te leren onderhouden wat Jezus ons geboden heeft. Dan zullen ze, door Zijn Geest, tot wasdom komen en mede gebouwd worden tot een woning Gods in de Geest.

We kunnen geen hemels Koninkrijk opbouwen met de vergankelijke dingen van deze wereld. Dat hoeft ook niet, want het Koninkrijk is, door genade, toevertrouwd aan het kleine kuddeke dat er biddend naar zoekt (Mat. 6:33; Luc. 12:31-32). Alles wat door mensenhanden gebouwd is, op het fundament van menselijke ondernemingen, zal niet overeind blijven staan. Dat is Gods belofte! Want Hij heeft beloofd dat Hij niet alleen de aarde zal doen beven, maar de hemel en de aarde! Nogmaals; dit is geen apocalyptische catastrofe, maar een heerlijke belofte! God zal alles op zijn fundamenten laten schudden, zodat alleen wat behoort tot Zijn onwankelbare Koninkrijk overeind zal blijven staan (Hebr. 12:26-29).

De gemeente van Christus is Gods volk dat Zijn Koninkrijk op aarde vertegenwoordigt. Zij is de stad van de levende God, wiens bewoners de eerstgeborenen zijn, ingeschreven in de hemelen en gereinigd door de besprenging met het bloed van Jezus (Hebr. 12:22-24). God voegt mensen toe aan de gemeente, niet door administratief lidmaatschap, maar door ze te behouden (Hand. 2:47). Dit is de onzichtbare kerk, die bestaat uit hen die wedergeboren zijn, wiens eenheid geen kwestie is van menselijke loyaliteit, maar van het kruis, daar zij met Christus gestorven en opgestaan zijn. Want door het kruis heeft Jezus de tussenmuur weggebroken en de vrede gebracht, door mensen van alle natiën tot één nieuwe mens te scheppen en in één lichaam samen te voegen (Efez. 2:14-16). De onzichtbare gemeente van Christus is, door de eeuwen heen, altijd één geweest, door de liefde die uitgestort is door de heilige Geest in de harten van hen die uit God geboren zijn: “En ieder die Hem liefheeft, die deed geboren worden, heeft ook degene lief, die uit Hem geboren is” (1 Joh. 5:1b).

Over Henk de Cock

Henk de Cock is sinds 1963 als geschoold evangelist werkzaam als Vader, Evangelist, voorganger en docent in Brazilië. Hij bouwde samen met zijn vrouw Connie een bijbelschool en hielp vele gemeenten stichten. Momenteel legt Henk zich toe op het uitbrengen van al het bijbelstudiemateriaal welke hij de afgelopen 50 jaar heeft ontwikkeld.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Stichting Pinkster Bijbelschool Brazilie 2013