• Opties

Terug naar de toekomst (deel I/II)

Het woord vooraf door Henk de Cock


Er staan in de decalogus niet alleen geboden, maar ook gigantische beloften. We staan hier ogenschijnlijk voor een paradox, vanwege het feit dat deze beloften niet alleen betrekking hebben op degenen die God gehoorzamen, maar vooral op hun nakomelingschap. God heeft beloofd dat Hij barmhartigheid zal bewijzen aan de nageslachten van hen die Hem liefhebben en Zijn geboden onderhouden
(Exodus 20:5-6).

Een andere belofte komt voor in het vijfde gebod, waar God het welzijn en de verlenging van dagen van de kinderen garandeert, op voorwaarde dat zij hun ouders eren (Exodus 20:6, 12). In beide gevallen worden niet in de eerste plaats de ouders als de bevoorrechten genoemd. Natuurlijk zullen die ook de vruchten plukken van hun gehoorzaamheid. Maar belangrijk is dat Gods barmhartigheid zich zal openbaren in hun kinderen en kindskinderen.

We kunnen hier de volgende belangrijke conclusie uit trekken: We gehoorzamen God niet alleen voor ons persoonlijk welzijn, maar denken daarbij vooral aan degenen die na ons komen: “Een rechtvaardige, wandelend in zijn gerechtigheid – welzalig zijn zijn kinderen na hem“(Spreuken 20:7). Als wij daarentegen niet Gods wegen bewandelen, dan zullen de nageslachten daar de nadelige gevolgen van ondervinden, zonder dat zij de schuldigen zijn. De vraag die we moeten stellen, ook op gemeentelijk niveau, is dan ook:

“Hoe ziet het er uit met de geestelijke erfenis die we aan onze jonge mensen achterlaten?“

De juiste interpretatie van de geboden is: “Liefde voor God en onze naasten”. Dat betekent dat we nooit in staat zullen zijn om God lief te hebben, met geheel ons hart, zolang we falen in de liefde voor onze naaste, en zolang we onszelf handhaven als het middelpunt van Zijn genadegaven (1 Joh. 4:20b). Iedere keer als God ons zegent, is het altijd Zijn bedoeling dat de mensen om ons heen, en vooral de opkomende generaties, hier profijt van trekken: “God zegent ons, opdat alle einden der aarde Hem vrezen” (psalm. 67:8). Vandaar dat de Heer, zelfs toen Hij de kinderen gebood om hun vader en moeder te eren, niet in de eerste plaats op het oog had om de taak van de ouders te verlichten. Hoewel het voor hen ongetwijfeld ook een enorme zegen betekent als ze door hun kinderen geëerd worden, is het van nog groter belang voor de kinderen zelf; voor hun eigen welzijn en verlenging van dagen (Efez. 6:1-3). De geestelijke norm is, dat bij iedere beslissing om God te gehoorzamen, het welzijn van anderen één van de grote drijfveren moet zijn!

Volgende generatie

In het werk dat we voor de Heer doen, moeten we ons dan ook niet alleen richten tot onze leeftijdsgenoten, maar tot de volgende generatie! Zelfs wat onze persoonlijke geestelijke ontwikkeling betreft, heeft God vooral de duizenden die na ons komen op het oog. Daarom is het altijd Gods opdracht geweest dat we de kennis van Zijn wil overbrengen op volgende geslachten: “Hetgeen wij gehoord hebben en weten, en onze vaderen ons hebben verteld, dat willen wij voor hun kinderen niet verhelen; wij willen vertellen aan het volgende geslacht des Heren roemrijke daden, zijn kracht en de wonderen die Hij gewrocht heeft. Hij richtte een getuigenis op in Jakob en stelde een wet in Israël, die Hij onze vaderen gebood hun kinderen te leren, opdat het volgende geslacht die zou kennen, de kinderen, die geboren zouden worden, dat zij zouden opstaan om ze te vertellen aan hun kinderen: opdat die hun vertrouwen op God zouden stellen, en Gods werken niet vergeten, maar zijn geboden bewaren; en niet worden gelijk hun vaderen, een weerbarstig en weerspannig geslacht, een geslacht, onstandvastig van hart, en welks geest niet trouw was jegens God” (Psalm 78:3-8). Gods barmhartigheid aan de nageslachten, zoals die vastgelegd is in de tien geboden, is geen vanzelfsprekendheid. Het is een proces dat we zelf in werking moeten stellen door het uitdragen van het evangelie aan onze kinderen. Uiteraard is het vertellen van de grote daden van God aan de volgende generatie een belangrijk onderdeel van deze gehoorzaamheid! En mochten we in dit opzicht falen, dan zal het geestelijk verval tot in het derde en vierde geslacht merkbaar zijn.

Op gemeentelijk niveau functioneert het als in het gezin. Nu er in de gemeente geen onderscheid meer bestaat tussen Jood en Griek, werknemer en werkgever, man of vrouw, barbaar en Skyth (1 Kor. 12:13; Gal. 3:28; Kol. 3:11), is het logisch dat er ook geen verschil gemaakt mag worden tussen leeftijdsgroepen. De gemeente van Christus behoort aan allen: jong en oud! Als kleintjes niet gevoed worden met het Woord van God, geven we de indruk dat ze geen belangrijke rol spelen in het gemeentelijk leven. Het tegendeel is waar: “Want voor zodanigen is Koninkrijk der hemelen” (Mat. 19:13-15)! Waarom zouden de kinderen in het onderwijs vergeten worden, terwijl er zulke prachtige verhalen in de Bijbel staan waar ze dol op zijn. En waarom zouden jonge mensen zich vervelen in de gemeenten, vanwege gebrek aan projecten waarvoor zij zich kunnen inzetten, en waar ze hun overschot aan energie en avonturenlust aan kwijt kunnen? Ze hoeven zich niet te radicaliseren en zich aan te sluiten bij de IS, want er is veel meer te beleven in het Koninkrijk Gods dan waar dan ook. Zij zijn bovendien sterk genoeg voor het slechten van de bolwerken van de Boze. Juist daarom schrijft de apostel Johannes niet alleen aan vaders, maar ook aan de kinderkens en de jongelingen: “Ik schrijf u, kinderkens, want de zonden zijn u vergeven om zijns naams wil (…). Ik schrijf u, jongelingen, want gij hebt de boze overwonnen. Ik heb u geschreven, kinderen, want gij kent de Vader (…). Ik heb u geschreven, jongelingen, want gij zijt sterk en het woord Gods blijft in u en gij hebt de boze overwonnen” (1 Joh. 2:12-14). In dit opzicht moeten we de wijsheid van Salomo ter harte nemen, door de jeugd te stimuleren om de Heer te gedenken nog in hun jongelingsjaren, voordat de kwade dagen van de ouderdom komen (Spreuken 11:1-5).

Generatiekloof

We mogen de generatiekloof in de seculaire maatschappij van vandaag niet aanvoeren als verontschuldiging voor onze nalatigheid om de jeugd te bereiken met het evangelie.

Want het meest diepgaande conflict tussen twee generaties, dat ooit in de heilsgeschiedenis plaatsgevonden heeft, ontstond toen het oude verbond werd afgeschaft, ten einde plaats te maken voor het nieuwe. Velen konden niet meekomen met de overgang van het Oude naar het Nieuwe Testament en verlangden nostalgisch terug naar een verleden dat voorgoed voorbij was, en dat bestond uit bepalingen voor het vlees, opgelegd tot de tijd van het ‘herstel’ (Hebr. 9:8-10). Herstel betekent dat de beperkingen van het Oude Testament gecorrigeerd werden, zodat weer tevoorschijn zou komen wat God zich voor eeuwig had voorgenomen. De komst van het verbond in het bloed van Jezus betekent de volmaking van het oude, waarbij het tijdelijk levitische priesterschap vervangen werd door het eeuwige priesterschap van Jezus Christus. Hij is Hogepriester voor altoos: “Die dit niet geworden is krachtens een wet met een voorschrift betreffende vleselijke afkomst, maar krachtens een onvernietigbaar leven” (Hebr. 7:16). Met de komst van Zijn eeuwig priesterschap, naar de ordening van Melchisedek, werden de vroegere voorschriften afgeschaft. Zij waren zonder kracht en nut gebleken, omdat ze in geen enkel opzicht het volmaakte gebracht hadden (Hebr. 7:18-19). Bovendien, met de vervanging van de priesterordening, was het noodzakelijk dat er ook een verandering van wet zou plaatsvinden (Hebr. 7:12).

Hoe ingrijpend was dit conflict tussen de twee generaties! Het meest dramatische keerpunt dat ooit in de heilsgeschiedenis is voorgekomen; tussen vaders en kinderen, tussen de oude en de nieuwe levensopvattingen. De komst van het nieuwe verbond zou een onoverkomelijke generatiekloof betekend hebben, mocht God de vaders niet profetisch voorbereid hebben op de verstrekkende veranderingen die er plaats vonden. Met het oog op het komende conflict tussen ouders en kinderen, wordt het Oude Testament afgesloten met de volgende woorden van Maleachi: “Zie, Ik zend u de profeet Elia, voordat de grote en geduchte dag des Heren komt. Hij zal het hart der vaderen terugvoeren tot de kinderen en het hart der kinderen tot hun vaderen, opdat Ik niet kome en het land treffe met de ban” (Mal. 4:5-6).

Over Henk de Cock

Henk de Cock is sinds 1963 als geschoold evangelist werkzaam als Vader, Evangelist, voorganger en docent in Brazilië. Hij bouwde samen met zijn vrouw Connie een bijbelschool en hielp vele gemeenten stichten. Momenteel legt Henk zich toe op het uitbrengen van al het bijbelstudiemateriaal welke hij de afgelopen 50 jaar heeft ontwikkeld.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Stichting PBB 2014